Op naar diaconie

Een volgende uitdaging stond klaar. Ik werd katholiek. Deze keer bewust. Het deed deugd mij aan te sluiten bij een kerk die zich legitimeren kon vanuit een traditie die helemaal terug te voeren was tot op de eerste christengemeenschappen, de apostelen en Jezus zelf. Een tijd lang dacht ik ontheven te zijn van de plicht om kritisch in het geloof te staan. Zo kwam ik argeloos terecht in de katholieke wereld van de devotionele stappenplannen.

Rob Allaert - 2016

Ik herinner mij nog dat ik als zesjarige gewoon in God geloofde. Dat leek toen evident en vanzelfsprekend. Zonder twijfel was ik al wat getekend door het leven als kind van gescheiden ouders, toch was het niet zo dat ik mij ten volle bewust was van mijn veeleer uitzonderlijke situatie. Het leven was immers nog te pril om het te gaan vergelijken met het sjabloon van toen. Evenmin vond ik het vreemd dat mijn vader in een poging om het gebeurlijke te verwerken een ander type kerkje had gevonden. Ik geef toe dat de roomse afstandelijke kerk-ervaring een te gemakkelijk oordeel was in het leven van een jongen uit een niet-praktiserend gezin, maar wanneer ik dat beeld contrasteerde met het kleine protestantse kerkje van mij pa, dan was geloven best fijn. Ik ontdekte er verwelkomende mensen, samenzang en koekjes na de dienst. God was de bron die mij kon stimuleren om te kiezen voor het goede en die mij troostend voorhield dat alles altijd goed komt.


Maar het is onvermijdbaar: tiener en puber word je toch en op dezelfde wijze waarmee het geloof zich onzichtbaar had aangediend, zo verdween het ook weer. De ziel komt terecht in een soort passiviteit; vergeet de goede aanwezigheid van God en valt sneller ten prooi aan egoïsme en roekeloosheid. De snelheid van het leven neemt toe en het wordt steeds moeilijker op het goede aan te sturen.

​Het was een echte verrassing dat God weer binnenkwam bij deze 17-jarige door middel van een Bijbeltekst op een Heavy Metal-album. Ik werd plots teruggeworpen op het veeleer apocalyptische godsgeloof van mijn vader en ging dan maar op zoek naar een passend kerkje in de buurt. De preek aldaar handelde over de komst van de antichrist. Zoiets vergeet je niet licht. Maar je voelt het al aan: ook al stond mijn deur opnieuw open voor geloof in God, ik kreeg er niet bepaald een mooi en hoopgevend godsbeeld mee. Het werd een spannende geloofsrit met een onevenwichtige drang om andere mensen mee op sleeptouw te nemen. Ik denk niet dat ik er een beter mens mee werd. Een vreemder mens, dat wel.


Vijf jaar later – ondertussen verloofd – besloot God mij te bezoeken in roomse gedaante. Dat kwam mij goed uit want ik had het een beetje gehad met mijn individualistische geloofsvorm. De lokale evangelische kerk had me net ontraden me verder te engageren ten voordele van vierdewereldjongeren. Mensen tot geloof brengen was beter dan hun dringende nood te lenigen. Ik kreeg alsmaar te horen dat ik reeds gered was en dat het kiezen voor het goede slechts een surplus was. Maar, in alle eerlijkheid, ik wou eindelijk eens iets gaan doen voor mijn redding. De Schrift die ik als evangelical steeds bij de hand had, deed onderhand verzen oplichten die mij erop wezen dat ik best de deugd zou koppelen aan mijn geloof.


Maar een volgende uitdaging stond klaar. Ik werd katholiek. Deze keer bewust. Het deed deugd mij aan te sluiten bij een kerk die zich legitimeren kon vanuit een traditie die helemaal terug te voeren was tot op de eerste christengemeenschappen, de apostelen en Jezus zelf. Het gaf mij - en zo vergaat het velen - de overmoed het vertrouwen in God gelijk te stellen met een vertrouwen in het door God geleide apparaat van de Kerk. Had de Kerk immers niet Christus als fundament en de Geest als gids doorheen de tijd? Een tijd lang dacht ik ontheven te zijn van de plicht om kritisch in het geloof te staan.

Zo kwam ik argeloos terecht in de katholieke wereld van het devotionele stappenplan waar de genade zich laat vertakken in een delta van welomschreven gebedsopdrachten en sacramentele handelingen met het zielenheil als beloning. Ik mocht eindelijk iets doen met mijn geloof, maar ook dit was erg op mezelf gericht en op de kleine groep van 'echte' katholieken. Opnieuw stak het individualisme de kop op.


En heel die tijd ging de gewone wereld van de parochie aan mij voorbij. Buiten de zondagsplicht om was ik daar niet te vinden. Er zijn dan ook voldoende kerkelijke organisaties om je katholieke geloof in te beleven. Dat is prima, zolang het maar ten voordele is van de ruime geloofsgemeenschap; van de parochie als bonte groep van mensen die in het echte leven staan.

Het begon stilaan te dagen dat ik mij moest kwalificeren om op geloofwaardige wijze de geloofsgemeenschap te gaan dienen. Ik zou theologie gaan studeren, ditmaal zonder alternatieve uitstapjes, gewoon in de schoot van het bisdom.

“Theologie? En dan diaken worden!” suggereerde een dame. Daar deed ze goed aan. Want ik heb ondertussen mogen ontdekken dat dit ambtelijk pakket meer veronderstelt dan een zekere theologische vaardigheid. De opleiding stuurt er mede op aan dat we ons stilletjes aan oefenen in de deugd, in luisterbereidheid en in concrete barmhartigheid. Ik engageerde mij voor het volle programma.

Op 13 maart 2013, toen ik in een eucharistieviering als kandidaat-diaken werd aanvaard, klonk onverwachts een extra intentie: “We bidden voor de paus die daarnet zijn ambt heeft aanvaard.” Het werd paus Franciscus; een paus die mij er toe brengt met nog meer verwondering in de kerk te staan, en in mijn traject naar het diaconaat. Straks - op dezelfde dag, drie jaar later - mag ik tot diaken worden gewijd door de nieuwe aartsbisschop.

Nu ik erop terugkijk, weet ik: het is een bizarre kronkelweg geworden. Af en toe kwam ik het goede op het spoor, soms ging ik hard door de bocht en soms kwam ik in nauwe steegjes terecht. Maar het momentum en het verlangen is gebleven. Er was iets richtinggevend van node om te vermijden dat het bij goede intenties zou blijven. Dat werd de weg naar het diaconaat. Het is daar dat ik mijn evenwicht mocht vinden. Het werd een manier om de urgentie van de liefde beter in de rug te voelen. Daar zag ik de kans om een bedienaar van het goede te worden.

De roeping van de diaken ervaar ik als een uitnodiging om in de stroom van de deugdzaamheid en de liefde te gaan staan. Als middleman maak je deel uit van de clerus - want na de handoplegging vertegenwoordig je de Heer zelf - maar tegelijkertijd word je als gehuwd man en vader voluit begrepen als deel van het volk. Daarenboven mag je ook verbindingsfiguur zijn tussen zoeker en kerk en geef je zo gehoor aan de oproep van paus Franciscus om naar de periferie te trekken.

Weet u wat de meest typische bediening is van een diaken? Dat is het aanwakkeren van de liefdadigheid in de gemeenschap. Een goede zaak, want enkel die gemeenschap die teder, verwelkomend en begrijpend is, kan de wereld even doen opkijken en de hand doen uitstrekken naar een Mensenzoon die veel meer is dan een verstijfd lichaam aan een kruis aan de vergeelde wand van een kerkelijke instelling.

(Verscheen op 10 maart 2016 in Tertio 839)


3 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven